1. Zet de mast van voor af gezien loodrecht op de boot, door de hoofdwanten te verstellen. Draai de spanners nog niet al te vast, meestal is handvast al genoeg.
  2. Verstel het voorstag zo dat de mast de juiste mastvalling krijgt.
  3. Maak het grootzeil vast aan het lummelbeslag en trek het met de hand strak. We gebruiken het val om te beoordelen hoeveel voorbuiging we in de mast aanbrengen.
  4. Breng de gewenste voorbuiging in de mast aan door het achterstag goed door te zetten. Gebruik het grootzeil val om de mastbuiging te beoordelen. Laat het onderwant helemaal losstaan.
  5. Draai de hoofdwanten aan totdat de mastbuiging begint toe te nemen, de spanning op het achterstag zal afnemen. Kijk regelmatig door de zeilgroef van de mast om te controleren dat de mast recht blijft.
  6. Draai de onderwanten aan totdat de mastbuiging begint af te nemen.
  7. Kontroleer of het hoofdwant strakker staat dan het onderwant
  8. Draai het tussenwant aan totdat het net op spanning komt; teveel spanning op het tussenwant haal de voorbuiging uit de mast.
  9. Haal de spanning van het achterstag, bevalt de voorbuiging?
  10. Nu is het tijd voor een proefvaart. Kies hiervoor een dag waarop je met vol zeil kan varen, het water redelijk vlak is en de boot aan de wind ongeveer 15 graden helt.
  11. Op een koers aan de wind moet het hoofdwant aan lij strak staan, het onderwant iets minder strak en het tussenwant net aan.
  12. Bevalt de vorm van het grootzeil? Als het grootzeil iets te vlak is kan de mastbuiging minder, als het grootzeil te bol is kan de mastbuiging meer. Mastbuiging is geen oplossing voor een oud grootzeil dat te veel bolling op een foute plaats heeft.
  13. Als de boot te loefgierig is, is de mastvalling te groot. Is de boot lijgierig, dan is er niet genoeg mastvalling.

terug